Drie handelingsperspectieven voor werken aan energie-infrastructuur

De afgelopen maanden is er iets fundamenteels veranderd in de balans tussen ruimtelijke ordening en onze energie-infrastructuur. In grote delen van ons land was energie lange tijd volgend aan hoe we onze ruimte ordenen. We maakten plannen voor woningen, bedrijven en voorzieningen en gingen er vanuit dat de benodigde elektriciteit wel geregeld zou worden. Net zoals we thuis gewend zijn dat er stroom uit het stopcontact komt. Die vanzelfsprekendheid is voorbij. Elektriciteit is schaars geworden. We hebben niet voldoende capaciteit om op ieder moment te kunnen voorzien in onze woningbouwopgave, verduurzaming en economische ontwikkeling. Gemeenten krijgen daarmee een steeds grotere rol in het omgaan met die schaarste én in de uitbreiding van het net.

Maar, zijn we zelf al voldoende gewend aan die nieuwe werkelijkheid? Als elektriciteit niet meer vanzelfsprekend beschikbaar is, vraagt dat namelijk niet alleen om meer infrastructuur. Het vraagt ook om andere keuzes en ander gedrag, in hoe we onze energie gebruiken én in hoe de organisaties die onze ruimte en ons energiesysteem ontwikkelen daarmee omgaan. 

Sinds drie jaar werken we vanuit & Van de Laar met en voor gemeenten, provincies, netbeheerders en samenwerkingsverbanden dagelijks aan deze opgave. Tijd voor reflectie. 

Politiek gezien zijn we het er inmiddels allemaal over eens: netcongestie belemmert de ontwikkeling van onze ambities. We hebben de aanpak van het probleem alleen jarenlang voor ons uitgeschoven. Inmiddels zien we op plekken in het land gasgeneratoren draaien om de krapte op het net te compenseren. Naar aanleiding van het rapport Wennink bevestigde het kabinet dat 73% van de verduurzamingsplannen van de regionale industrie niet vóór 2030 kan doorgaan door ontbrekende energie-infrastructuur. Ook voor nieuwe digitale en AI-investeringen is netcapaciteit een randvoorwaarde. En de komende periode zullen de beperkingen van het net op meer plekken direct voelbaar worden voor de bouw van bijvoorbeeld woningen en scholen. 

Een van de oplossingen is de uitbreiding van het elektriciteitsnet. Het belang daarvan wordt inmiddels breed erkend. En toch blijkt het in de praktijk een ingewikkelde opgave. Waar zit dat in? Wat maakt het zo lastig?

Ruimte voor energie-infrastructuur ontstaat niet vanzelf 

Een nieuw onderstation of een nieuwe verbinding vraagt altijd ruimte. En ook die ruimte is schaars. Een onderstation concurreert met woningbouw, groen, water, mobiliteit of economische ontwikkeling. In de praktijk zien we dat we energie-infrastructuur nog te vaak behandelen als iets wat we in een later stadium kunnen ‘inpassen’. Dit past niet meer bij het feit dat energie schaars is en daarmee cruciaal en randvoorwaardelijk voor een ontwikkeling. Dat vraagt dus dat we de ruimte moeten reserveren voor deze infrastructuur aan de start van een ontwikkeling. Dan wordt de impact ervan zichtbaar en komen keuzes op tafel. 

De techniek is ingewikkeld, maar daar zit lang niet altijd de vertraging 

In veel projecten zien we dat vertraging vaak ergens anders ontstaat. Grond moet beschikbaar komen, een ruimtelijke procedure moet worden doorlopen met voldoende ruimte voor maatschappelijke betrokkenheid, vergunningen zijn nodig en bestuurlijke besluiten moeten op het juiste moment worden genomen. Daarvoor zijn verschillende afdelingen en organisaties van elkaar afhankelijk. Iedereen kan zijn eigen werk goed doen en toch kan het gezamenlijke project vertragen.  

De opgave heeft niet vanzelfsprekend één eigenaar 

Een netbeheerder is verantwoordelijk voor het net, een gemeente voor andere delen van de ruimtelijke ontwikkeling, de provincie heeft weer een andere rol. Die verantwoordelijkheden zijn op zichzelf logisch. Maar veel van de knelpunten zitten precies tussen die verantwoordelijkheden in. 

Wie is bijvoorbeeld aan zet als een locatie technisch noodzakelijk is, maar ruimtelijk en/of bestuurlijk ingewikkeld? Wie bewaakt dat een gemeentelijke procedure aansluit op de planning van de netbeheerder? En wie grijpt in als het gezamenlijke project vertraagt terwijl iedere organisatie afzonderlijk haar werk doet? 

We organiseren samenwerking, maar sturen nog vaak op onze eigen doelen 

Onze oplossing voor dit soort vraagstukken is vaak: samenwerken. We richten een taskforce, programma, bestuurlijke tafel of regionaal overleg in. Uiteraard werken ook wij veel aan en in dat soort samenwerkingsverbanden. We zien daarbij de kans en de kracht ervan, maar ook de kwetsbaarheden. Aan de gezamenlijke tafel kunnen we het volledig eens zijn over de urgentie en gezamenlijke mijlpalen. Na het overleg gaat ieder terug naar een organisatie met eigen doelen, planningen, capaciteit en verantwoordingslijnen. We verwachten gezamenlijk eigenaarschap, terwijl de mensen vaak nog afzonderlijk sturen op succes. Dat gaat goed zolang de juiste mensen elkaar weten te vinden, bereid zijn iets extra’s te doen of bestuurders verantwoordelijkheid nemen. Maar een opgave van deze omvang kan niet afhankelijk zijn van individuele personen. 

Bestuurlijke urgentie is nog geen uitvoeringskracht 

Zoals gezegd hoeft vrijwel niemand meer overtuigd te worden van de urgentie van netcongestie. Maar bestuurlijke prioriteit is nog geen uitvoeringskracht. Die moet uiteindelijk binnen de organisatie ontstaan. Tijdelijke hulpconstructies kunnen helpen met organiseren, structureren en het binnenbrengen van (technisch-inhoudelijke) kennis, maar kunnen de ingewikkelde ruimtelijke afweging niet overnemen. Daarvoor is kennis van en capaciteit en kwaliteit binnen de lokale context essentieel. 

En meer governance is niet automatisch het antwoord 

Daar zit ook een opdracht voor mensen zoals wij, die worden gevraagd om samenwerking en governance te organiseren. Een extra overleg, programma of procesregisseur kan helpen om partijen bij elkaar te brengen, afhankelijkheden zichtbaar te maken en besluiten te versnellen. Maar we moeten oppassen dat we niet zelf het verbindingsstuk worden dat structureel ontbreekt. De vraag is uiteindelijk niet of we een goede samenwerkingsstructuur hebben ingericht, maar of organisaties daardoor beter in staat zijn gezamenlijk te handelen. 

Netcongestie en schaarste op het net zullen de komende jaren bij ons blijven. Vanuit die constatering is er dus grote urgentie voor gemeenten en provincies met bovenstaande aan de slag te gaan.  

We zien drie concrete handelingsperspectieven:

I. Maak het gezamenlijke resultaat concreet

Maak concreet welke infrastructuur wanneer gerealiseerd moet zijn, welke mijlpalen daarvoor nodig zijn en wie waarvoor aan zet is. Breng daarbij vooral de afhankelijkheden tussen organisaties in beeld. Wanneer heeft de netbeheerder grond nodig? Wanneer moet een ruimtelijke procedure starten? Welke informatie moet daarvoor beschikbaar zijn? En op welk moment is een bestuurlijk besluit nodig? 

Juist door samen vooruit te kijken, kun je eerder zien waar het dreigt vast te lopen. Het gesprek gaat dan niet alleen over de vraag of iedere partij zijn eigen planning haalt, maar over de vraag of het gezamenlijke resultaat nog haalbaar is en wat daarvoor nu nodig is. Dat klinkt misschien als simpel projectmanagement, maar hier zit veel waarde: het maakt de gezamenlijke verantwoordelijkheid concreet en geeft partijen onderling handelingsperspectief. 

II. Maak rollen, taken en bevoegdheden helder én zorg dat ze intern landen

In het verlengde daarvan en bij een opgave met zoveel betrokken partijen is het belangrijk dat duidelijk is wie waarvan is. Wie is eigenaar van een volgende stap, wie neemt een besluit en wanneer moet iets worden opgeschaald? Niet om alles dicht te regelen, maar om te voorkomen dat iedereen betrokken is en uiteindelijk niemand echt aan zet. Maar helderheid aan de gezamenlijke tafel is niet genoeg. Heeft degene die namens een organisatie een afspraak maakt ook het mandaat om daarna te handelen? Is er capaciteit beschikbaar? Komt de gezamenlijke prioriteit terug in de interne planning en sturing? En weet de rest van de organisatie wat er van haar wordt gevraagd? Organiseer dus ook intern de sturingslijnen op deze rollen, taken en bevoegdheden op alle niveaus.  

III. Stuur niet alleen op de samenwerking, maar op het gezamenlijke resultaat 

Een taskforce, programma, bestuurlijke tafel of procesregisseur kan veel toevoegen. Het kan helpen om partijen bij elkaar te brengen, overzicht te creëren, afhankelijkheden zichtbaar te maken en knelpunten op het juiste niveau te krijgen. Maar het samenwerkingsverband zelf is geen doel. De vraag is wat het oplevert. Zijn partijen beter in staat om te handelen? Worden besluiten eerder genomen? Komen knelpunten sneller op de juiste plek? En misschien nog belangrijker: werkt wat we in het samenwerkingsverband organiseren uiteindelijk ook door in de organisaties zelf? De waarde van governance zit uiteindelijk niet in de structuur die we neerzetten, maar in het handelingsvermogen dat daardoor ontstaat. 

De transitie op het elektriciteitsnet is in volle gang. Het vraagt iets anders van gemeenten, netbeheerders, provincies en nog vele andere spelers op dit speelveld. We zien waar het spel ingewikkeld is, het vraagt aanpassing in onze werkwijzen en organisaties. Daar spreken we veel over, aan allerlei lokale, regionale, provinciale en landelijke tafels. Maar soms helpt het vooral om met elkaar het speelveld op te gaan en het proces echt te doorléven. Wat het vraagt, waar het lastig wordt, welke expertise je nodig hebt, welke taal er gesproken wordt. Pas als we echt doorleven wat de impact is van deze verandering, kunnen we er ook naar handelen in de praktijk. Om die reden ontwikkelden we recent ons netuitbreidingenspel. Waarin we spelenderwijs het proces van een netuitbreiding vanuit perspectief van een gemeente (of provincie) doorgronden en samen doorleven. Want misschien is dat wel de volgende stap in het wennen aan deze nieuwe werkelijkheid: niet alleen begrijpen dat elektriciteit niet meer vanzelfsprekend is, maar ook leren handelen naar wat die schaarste van ons vraagt. 

Deze visie is mede gebaseerd op onze inzet in o.a. de volgende rollen en projecten: 

Project
Samenwerking & Fusie

Bestuurlijke toekomst Landsmeer

Voor de gemeente Landsmeer ondersteunt & Van de Laar als strategisch adviseur het onderzoek naar een mogelijke lichte samenvoeging met Purmerend. Daarbij brengen we de strategische, financiële en organisatorische gevolgen in beeld en begeleiden we het bestuurlijke proces, met aandacht voor identiteit, nabij bestuur, dienstverlening en de belangen van de drie kernen, met als doel de gemeenteraad een stevige basis te bieden voor goed onderbouwde besluiten over de bestuurlijke toekomst van Landsmeer.

Bestuurlijke toekomst Landsmeer
Project
Sociaal domein

Regiovisie Jeugd, Noord-Limburg

Voor de jeugdregio Noord-Limburg begeleidt & Van de Laar de ontwikkeling van een nieuwe regiovisie Jeugd. Als procesregisseur, strategisch adviseur en penvoerder verbinden we bestaande inzichten, praktijkervaringen en regionale ambities tot een gedragen en toekomstbestendige visie. Zo ontstaat een gezamenlijke koers voor de verdere ontwikkeling van de jeugdhulp in Noord-Limburg.

Regiovisie Jeugd, Noord-Limburg

Voor het Werkcentrum Zuid-Kennemerland en IJmond ondersteunde & Van de Laar de arbeidsmarktregio bij het herijken van de governance en sturing. Dit resulteerde in een toekomstbestendig advies dat richting geeft aan de gezamenlijke aansturing van het Werkcentrum en bijdraagt aan duidelijke verantwoordelijkheden, effectief leiderschap en een duurzame samenwerking tussen de betrokken partners.

Passende sturing voor het Werkcentrum Zuid-Kennemerland en IJmond